Stefan Zweig - De wonderen van het leven


"De schilder bleef nog even aarzelend staan voor hij zich afwendde van het schilderij, dat nog meer leek te schitteren in de wijkende duisternis en het mistige licht dat de ramen langzaam een gouden glans gaf. Hij had bijna het gevoel dat de licht smartelijke trek om de mond in een bekoorlijke glimlach zou veranderen als hij nog langer bleef kijken. Maar de koopman was al doorgelopen en hij moest zijn pas versnellen om hem bij de poort bij te benen. Samen, zoals ze gekomen waren, verlieten ze de kerk."


"Ineens bleef de schilder als versteend staan en hij veegde met zijn hand over zijn ogen, als iemand die getroffen wordt door een fel licht of een vreselijke gebeurtenis. Omhoogkijkend naar de schittering van een door de zon beschenen raam voelde hij hoe de sterke reflectie van het licht pijn deed aan zijn ogen, maar in deze nevel van goud en purper was een vreemde, wonderlijke hersenschim verschenen: de Madonna van de jonge kunstenaar, peinzend en zich wat schuchter afwendend, net als op het schilderij."


"Met een felle beweging knikte ze bij wijze van afscheid, pakte haar spullen bij elkaar en liep naar de deur. Maar de oude man, die haar geobserveerd had met zijn zo begripvolle blij, riep haar nog een keer terug. Met tegenzin draaide ze zich om, want in haar ogen glansden tranen."


"Devolgende dag al sierde het schilderij de altaarvleugel die al jaren leeg stond. Wat een wonderlijk stel waren deze beide Madonna's in hun vage gelijkenis, maar zo verschillende uitstraling. Het leken wel zussen, van wie de ene zich nog steeds vol vertrouwen overgeeft aan de zoetheid van het leven, terwijl de andere al de donkere vrucht van de smart heeft geproefd en de angst van vervlogen tijden kent. Maar boven hun hoofden straalde eenzelfde licht, alsof sterren van liefde fonkelden boven hun leven, dat zijn weg vervolgde in vreugde en verdriet.



Michiel van de Kasteelen