Stefan Zweig - De wereld van gisteren


"Voor ons eigen bestaan hebben we allang de religie van onze voorvaderen, hun geloof aan een snelle en doorgaande opwaartse ontwikkeling van de menselijkheid opgegeven; ons, die wreed onze les hebben geleerd, lijkt dat overijlde optimisme banaal ten overstaan van een catastrofe die met één klap duizend jaar van humanistische inspanningen ongedaan heeft gemaakt. Maar al was het dan ook maar een waandenkbeeld, het was in elk geval een prachtig en edel waandenkbeeld dat onze voorouders beleden, menselijker en vruchtbaarder dan de slagzinnen van vandaag. En er is iets in mij wat zich er op een geheimzinnige manier, ondanks alle inzicht en teleurstelling, niet van kan losmaken."


"Dankzij hun liberalistisch geloof in een door tolerantie en rede onfeilbaar vooruitgaande wereld dachten deze burgerlijke democraten oprecht dat ze met kleine concessies en geleidelijke verbeteringen het welzijn van alle onderdanen op de beste manier dienden."


"Maar zo groot was in dat tragisch zwakke en ontroerend humane liberale tijdperk de afschuw van elk gewelddadig tumult en elk bloedvergieten dat de regering terugweek voor de Duits-nationale terreur. De minister-president trad af en het toch uiterst loyale taalbesluit werd opgeheven. De introductie van het grove geweld in de politiek kon haar eerste succes aantekenen. Al de onderaardse scheuren en kloven tussen de rassen en klassen, die het tijdperk van de verzoening zo moeizaam met de mantel der liefde had bedekt, scheurden verder open en werden afgronden en ravijnen. In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen."


"Maar wij jongeren, totaal ingesponnen in onze literaire ambities, merkten weinig van deze gevaarlijke veranderingen in ons vaderland: wij hadden alleen oog voor boeken en kunst. We hadden niet de minste belangstelling voor politieke en sociale problemen: wat betekenden deze schreeuwerige ruzies in ons leven? De stad raakte in opwinding over de verkiezingen en wij gingen naar de bibliotheek. De massa kwam in opstand en wij schreven en bediscussieerden gedichten. We zagen de vurige tekens aan de wand niet, we deden ons onbezorgd als wijlen koning Belsazar tegoed aan alle exquise gerechten van de kunst, zonder angstig vooruit te kijken. En pas toen tientallen jaren later het dak en de muren op ons neerstortten, zagen wij in dat de fundamenten allang ondergraven waren geweest en dat tegelijk met de nieuwe eeuw de ondergang van de individuele vrijheid in Europa was begonnen."


"Ach, wij hielden allemaal van onze tijd, die ons op zijn vleugels droeg, we hielden van Europa! Maar dit goede vertrouwen in de redelijkheid, dat ze op het laatste ogenblik de waanzin zou tegenhouden, dat was tegelijk de enige schuld die wij op ons laadden. Zeker, we hebben de tekens aan de wand niet met genoeg wantrouwen bekeken, maar is het niet het wezen van een echte jeugd niet wantrouwend te zijn, maar in iets te geloven? We vertrouwden op Jaurès, op de socialistische Internationale, we geloofden dat de spoorwegarbeiders eerder de rails zouden opblazen dan hun kameraden als slachtvee naar het front laten transporteren, we rekenden erop dat de vrouwen hun kinderen en mannen niet aan de moloch zouden overleveren, we waren ervan overtuigd dat de geestelijke en morele kracht van Europa zich op het laatste ogenblik triomfantelijk zou manifesteren. Ons gemeenschappelijk idealisme, ons door de vooruitgang bepaald optimisme maakten dat wij het gemeenschappelijke gevaar niet zagen of onderschatten."


"Wij moesten nu allemaal onze taak op ons nemen, ieder op zijn plaats, ieder voor zijn eigen land, in zijn eigen taal. Het was tijd om waakzaam te worden, steeds waakzamer. De krachten die de haat wilden stimuleren waren nu eenmaal door hun lage karakter fanatieker en agressiever dan de krachten die verzoening nastreefden; bovendien stonden er materiële belangen achter die van aard minder scrupuleus waren dan de onze. De waanzin vertoonde zich in zijn daden en de strijd daartegen was zelfs belangrijker dan onze kunst. Ik voelde de treurigheid om de kwetsbaarheid van alle aardse bouwsels extra aangrijpend in de nabijheid van deze man die in zijn hele werk de onvergankelijkheid van de kunst had bezongen. ‘De kunst kan ons troosten, ons individuen,’ antwoordde hij, ‘maar ze vermag niets tegen de werkelijkheid.’


"Alles stond mij in dat tweeëndertigste jaar van mij helder voor ogen; mooi en zinvol als een kostelijke vrucht liet de wereld zich in die stralende zomer zien. En ik had haar lief om wat zij was en om haar nog grotere toekomst.

Toen viel, op 28 juni 1914, dat schot in Sarajevo, dat de wereld van veiligheid en creatieve redelijkheid waarin wij waren opgegroeid, volwassen waren geworden en ons vaderland hadden, in één seconde als een holle aardewerken pot in duizend stukken deed springen."


"Het enige wat de rust verstoorde, waren de krantenjongens, die om hun verkoop te bevorderen de dreigende koppen van de Parijse kranten luid uitbrulden: ‘L’Autriche provoque la Russie’. ‘L’Allemagne prépare la mobilisation’. Je zag hoe de gezichten van de mensen betrokken als ze de kranten kochten, maar nooit langer dan een paar minuten. Tenslotte kenden we deze diplomatieke conflicten al jaren; ze waren altijd op het laatste ogenblik voordat het ernst werd weer bijgelegd. Waarom dan deze keer niet? Een half uur later zag je dezelfde mensen weer vergenoegd proestend in het water rondplassen, de vliegers stegen op, de meeuwen zweefden en de zon lachte licht en warm boven het vreedzame land."


"Iedereen weet nu – en een aantal van ons wist het toen ook al – dat deze vrede een, zo niet dé grote morele kans van de geschiedenis was. Wilson zag het in. Hij had in een brede visie het plan geschetst voor een echte en duurzame wereldvrede. Maar de oude generaals, de oude politici, de oude belangengroepen hadden het concept verknipt en versnipperd tot een waardeloos vodje papier. De grote, heilige belofte die men die miljoenen had gedaan, dat deze oorlog de laatste zou zijn, die belofte die de al half gedesillusioneerde, half uitgeputte en vertwijfelde soldaten nog een laatste kracht had gegeven, werd cynisch opgeofferd aan de belangen van de munitiefabrikanten en de speelzucht van de politici, die hun oude, noodlottige tactiek van geheime verdragen en onderhandelingen achter gesloten deuren triomfantelijk wisten te beschermen tegen Wilsons wijze en humane uitdaging."


Iedereen weet nu – en een aantal van ons wist het toen ook al – dat deze vrede een, zo niet dé grote morele kans van de geschiedenis was. Wilson zag het in. Hij had in een brede visie het plan geschetst voor een echte en duurzame wereldvrede. Maar de oude generaals, de oude politici, de oude belangengroepen hadden het concept verknipt en versnipperd tot een waardeloos vodje papier. De grote, heilige belofte die men die miljoenen had gedaan, dat deze oorlog de laatste zou zijn, die belofte die de al half gedesillusioneerde, half uitgeputte en vertwijfelde soldaten nog een laatste kracht had gegeven, werd cynisch opgeofferd aan de belangen van de munitiefabrikanten en de speelzucht van de politici, die hun oude, noodlottige tactiek van geheime verdragen en onderhandelingen achter gesloten deuren triomfantelijk wisten te beschermen tegen Wilsons wijze en humane uitdaging.


"Alles wat extravagant en oncontroleerbaar was, beleefde gouden tijden: theosofie, occultisme, spiritisme, somnambulisme, antroposofie, handlezerij, grafologie, Indische yogaleer en paracelsische mystiek. Alles wat spanningen beloofde die uitstegen boven de tot dusver bekende, zoals verdovende middelen in alle vormen, morfine, cocaïne en heroïne, werd op grote schaal afgezet, in toneelstukken boden incest en vadermoord, in de politiek communisme of fascisme de extreme thematiek waar als enige belangstelling voor was. Absoluut taboe was daartegenover elke vorm van normaalheid en redelijkheid. Maar ik had hem niet willen missen, die chaotische tijd, niet uit mijn eigen leven, niet uit de ontwikkeling van de kunst. Zoals elke geestelijke revolutie in haar eerste golf doorschietend in haar dweepzucht, heeft ze toch de lucht gereinigd van het verstikkend traditionele, de spanningen van vier jaar ontladen, en van haar stoutmoedige experimenten zijn toch veel waardevolle impulsen uitgegaan."


"Niets heeft zozeer als deze academische hoogmoed de Duitse intellectuelen ertoe verleid Hitler te blijven zien als de agitator van de bierhallen, die nooit echt gevaarlijk kon worden, toen hij dankzij zijn onzichtbare marionettenspelers allang machtige beschermers in zeer verschillende kringen had verworven. En zelfs toen hij op die januaridag in 1933 rijkskanselier was geworden, beschouwden de grote massa en zelfs degenen die hem op die plaats hadden gebracht hem als niet meer dan een provisorische plaatsbekleder en de nationaalsocialistische heerschappij als iets tijdelijks....

De zware industrie voelde zich door Hitler bevrijd van de angst voor de bolsjewisten, ze zagen de man aan de macht komen die ze jarenlang in het geheim hadden gefinancierd; en tegelijkertijd haalde het kleinburgerdom, dat hij op honderden bijeenkomsten ‘verbreking van de belastingslavernij’ had beloofd, opgelucht en enthousiast adem. De kleine winkeliers herinnerden zich de belofte dat de grote warenhuizen dicht zouden gaan, hun gevaarlijkste concurrenten (een belofte die nooit werd nagekomen), maar vooral de militairen verwelkomden Hitler omdat hij militair dacht en van leer trok tegen het pacifisme."


"We geloofden in het bestaan van een Duits, een Europees, een wereldgeweten dat verankerd was in onze rechtsopvattingen, en waren ervan overtuigd dat er een vorm van onmenselijkheid was die zichzelf in het oog van de mensheid zou vernietigen....

Het nationaalsocialisme hoedde er zich in zijn gewetenloze misleidingstechniek wel voor zijn doeleinden in al hun radicaliteit te laten zien voordat het de wereld gehard had. Dus oefenden ze hun methode voorzichtig: steeds een kleine dosis en na die dosis een kleine pauze. Steeds maar een enkele pil en dan een ogenblik afwachten of die niet te sterk was geweest, of het geweten van de wereld deze dosis nog kon verdragen. En omdat het Europese geweten – tot schade en schande van onze beschaving – ijverig zijn onverschilligheid toonde omdat die gewelddadigheden zich immers over de grens afspeelden, werden de doses steeds sterker, tot ten slotte heel Europa eraan te gronde ging."

Michiel van de Kasteelen