Station Lammenschans


De ochtend is strak en helder.

Het Lammenschansstation ligt in de lage najaarszon. In de blauwe lucht wat kleine witte wolkjes en de strepen van de vele passerende vliegtuigen. Op het perron de mensen, die er elke morgen staan: de forensen naar Alphen of naar Utrecht. Ze kennen elkaar, meestal alleen maar van gezicht. Lotgenoten, die er ook staan als het giet van de regen en je moet samendrommen onder de twee kleine overkappingen. De Metro onder de arm; de aktentas binnen handbereik. Anderen staan er voor het eerst. Voor hen is het station nieuw terrein: een weinig opzienbarende halte aan een wat saai spoorlijntje.


De mevrouw achter het loket reikt een kaartje uit aan een grijzende heer. Retour Veenendaal – de Klomp met korting vanaf Bodegraven. Binnenkort kan het niet meer: een kaartje kopen van een echt mens. Het is de vooruitgang en de geschiedenis toont aan, dat daar weinig tegen te beginnen is. De automaten staan stralend-geel te wachten tot ze het alleenrecht hebben. Op het raam hangt een affiche: we kunnen het stationsgebouwtje huren, als we zouden willen.


In de late middag haasten de reizigers zich over het perron naar de trap. In niets lijkt het station op dat van die ochtend. Er heerst niet meer de rust van het wachten, maar de haast van het naar huis gaan. De dag, die ’s ochtends nog alle mogelijkheden in zich had, is op de avond na voorbij

Michiel van de Kasteelen