Bloemistenlaan


Achter me is de drukte en het licht van de Lammenschansweg. Voor me de rust en de relatieve duisternis van de Bloemistenlaan. Het is merkwaardige straat, sorry: laan. Dat is zeker niet bedoeld als belediging, integendeel. Het is een compliment: deze straat is eigenzinnig, valt buiten alle stereotypen Alleen al de naam. ‘Waar dan?’ ben je geneigd te vragen.

Op de hoek is een groot multifunctioneel gebouw. Er hebben zich allerlei vertegenwoordigers van de medische en paramedische stand gevestigd: verloskundigen, een huisarts, een psycholoog, een logopedist, en een apotheek. Het gebouw is van alle gezondheidsmarkten thuis.

Daar in het begin lijkt het nog een ‘gewone straat’ te worden, maar na een flauwe bocht ontpopt de straat zich als het ware. In de rij huizen links is een veelheid aan glas-in-lood zichtbaar, een mooie strook boven de ramen. Rechts achter de hoge hekken staan twee vrachtwagens naast elkaar; ze slapen en wachten tot ze devolgende ochtend (vroeg, schat ik in) kunnen gaan doen, waar ze voor zijn: was ophalen en was wegbrengen.

Bij de Kantoorwinkel zijn ze er klaar voor. Dichterbij gekomen, zie ik waarvoor: de inschrijving voor de haring en het wittebrood. Is het al weer zo ver?

Tussen de struiken door is het binnenwerk te zien van de wasserij. Inmiddels wordt de straat blauw: de glanzende reflectie van de heldere no-nonsense neon-letters: De Tegelhandel, toch ook nog maar in het wit herhaald. Op het hoge hek de mededeling dat parkeren achter het hek is voorbehouden aan de klanten: ook deze wordt – voor alle zekerheid – een aantal keer herhaald.

Voor het hek heb ik een ontmoeting met een poes: het enige levende wezen in de Bloemistenlaan. Behalve ik zelf dan, maar ik tel niet mee. De poes kijkt met grote intensiteit: hij kijkt me weg, denk ik.

Op dat punt gekomen wordt de straat ‘Doodlopend’, behalve voor fietsers en voetgangers. Een rij nieuwbouw links en de achterkanten van tuinen rechts. De straat is voor de tweede keer van gedaante gewisseld. Achterkanten zijn altijd rommeliger dan voorkanten: verschillende soorten hekwerk en schuurtjes.

Er is een zijstraat-zonder-naam, misschien gewoon een aanhangsel Bloemisten. Nu wordt – wat begon als ‘laan’ - eigenlijk niet meer dan een veredeld steegje. Het geluid van een zaag- of schuurmachine beheerst de avond.

En dan ineens sta je in de Herenstraat, zo maar. Op de hoek is de etalage van de dierenwinkel. Er zijn ‘waterfalls’ te koop, en glazen dingen met veel kleurrijke andere dingen erin. Vlak voor je – wat verdwaasd – de Herenstraat inloopt, blijkt er een telefooncel te staan; is me nog nooit opgevallen. Het is ook een anachronisme: de mensen lopen er – al telefonerend – aan voorbij.


Michiel van de Kasteelen